aav

Another angry voice Blog door Thomas G. Clark.

Een universeel basisinkomen (ook wel onvoorwaardelijk basisinkomen, burgerinkomen of gewoon basisinkomen genoemd) is een voorstel voor een economisch systeem waarbij iedere volwassene binnen een economie een gegarandeerd basisinkomen krijgt, ongeacht of men een baan heeft of niet. Het is een zeer interessant voorstel, dat steun ondervindt vanuit het hele politieke spectrum, vooral van socialisten en libertariërs.

In oktober 2013 werd in Zwitserland een referendum geïnitieerd (middels een 126.000 maal ondertekende petitie), over de vraag of een onvoorwaardelijk gegarandeerd inkomen van £ 1750 per maand voor alle volwassen burgers ingevoerd zou moeten worden.

Argumenten voor

Technologie en automatisering: als de technologie en automatisering steeds beter worden, zal de vraag naar arbeid in een economie afnemen. Het tempo van de technologische vooruitgang wordt echter vertraagd als mensen zich de eindproducten van deze geavanceerde technologie en automatisering niet kunnen veroorloven. Als mensen de zekerheid hebben van een bestaansminimum, dan kunnen zij een flinke som geld aanwenden om die producten te kopen, wat de technologische vooruitgang op een hoger plan zal brengen.

Herverdeling van rijkdom: herverdeling van rijkdom is economisch gunstig, vanwege de Marginal Propensity to Consume [1], dat wil zeggen: armen en gewone mensen besteden een groter deel van hun inkomen dan rijke. Hoe meer geld mensen laten rollen in plaats van het op te potten, des te sneller zal een economie zich ontwikkelen.

Efficiëntie: een algemeen basisinkomen is de meest efficiënte vorm van herverdeling van rijkdom, want er is geen behoefte aan een grote en dure bureaucratie die begunstigden aan een inkomenstoets onderwerpt. Er zou alleen nagegaan hoeven worden of de ontvanger een ingezetene van de staat is en of hij of zij geregistreerd staat als volwassene. Dit zouden de enige controles zijn. De overheadkosten van het bureaucratische sociale zekerheidssysteem zouden dus fors afnemen.

Kleinere overheid: de introductie van een universeel basisinkomen zou de economische kosten van het sociale stelsel verminderen door de afschaffing van bijna alle inkomensafhankelijke uitkeringen en de bijbehorende bureaucratie.

Afname van de criminaliteit: het aantal misdaden zal omlaag gaan omdat het universeel basisinkomen absolute armoede effectief elimineert. Het zal de economische wanhoop, die een groot deel van het criminele gedrag zoals diefstal motiveert, danig terugdringen (een proefproject met een basisinkomen in Namibië [2] boekte een opmerkelijke 42% reductie in criminaliteit).

Een evenwichtige arbeidsmarkt: de arbeidsmarkt is sinds de opkomst van het neoklassieke pseudo-economische dogma steeds onevenwichtiger geworden. De beschadiging van vakbonden en de aantasting van arbeidsrechten zijn nu meer uit balans dan ooit. Werknemers zouden niet langer gedwongen zijn om te werken om aan hun basale levensbehoeften te voldoen. Werkgevers zouden hoge lonen, goede voorwaarden en goede arbeidsomstandigheden moeten bieden om werknemers aan te trekken. Uitbuitingspraktijken op het werk zouden beknot worden en een werknemer zou meer vrijheid hebben om voor werk te kiezen dat men echt ambieert in plaats van te blijven hangen in vreselijke banen tegen karige loontjes om te voorkomen dat men wegzakt in uitzichtloze armoede.

Innovatie en kleine bedrijven: als burgers verzekerd zijn van een basisinkomen en zij in hun noodzakelijke levensbehoeften kunnen voorzien, zou de investering van tijd en geld in de oprichting van nieuwe bedrijven beduidend aantrekkelijker worden en aanzienlijk minder risico met zich meebrengen. Bewijs uit studies ondersteunt de conclusie dat door de invoering van een dergelijk systeem het aantal startende ondernemers zou toenemen.

Beter kapitalisme: het resultaat, een flinke vermeerdering van kleine bedrijven, zou het kapitalisme – doordat de kapitalistische economie profiteert van de toegenomen diversiteit en verhoogde concurrentie binnen bestaande markten – verbeteren. De groeiende differentiatie zou leiden tot een meer robuuste economie die bestand is tegen schokken van buitenaf. Meer competitieve markten zouden leiden tot meer concurrentie en efficiëntie.

Sociale rechtvaardigheid: als automatisch aan de essentiële, benodigdheden van iedere burger wordt voldaan, dan is de behoefte aan liefdadigheid en door de staat uitgevoerde sociale zekerheid drastisch verminderd, wat betekent dat diegenen met charitatieve bedoelingen de armen elders in de wereld kunnen helpen, in plaats van zich in hun eigen ontwikkelde landen bezig te houden met de bestrijding van armoede.

Argumenten tegen

Teloorgang van de prikkel om te werken: tegenstanders beweren dat het kapitalisme knarsend tot stilstand zal komen, als de angst voor armoede en daarmee de prikkel voor werknemers om te blijven werken, zou verdwijnen. Dit bezwaar wordt niet ondersteund door experimentele gegevens, waaruit blijkt dat de overgrote meerderheid van mensen blijft werken, zelfs als aan hun eerste levensbehoeften is voldaan. Demografische data uit experimenten in Noord-Amerika lieten alleen een aanzienlijke afname zien in gewerkte uren onder nieuwe moeders (om tijd met hun baby’s door te brengen) en tieners / jong volwassenen (die de extra tijd aan onderwijs besteden). In feite vertoonde de proef in Namibië een significante toename van economische activiteit door een stijging van de economische vraag en de oprichting van nieuwe bedrijven.

Ledigheid: één van de meest gehoorde punten van kritiek is dat als het individu zeker weet dat in zijn noodzakelijke behoeften is voorzien, deze geneigd zal zijn om niets te doen. Niet alleen wordt deze zorg weerlegd door experimenten die gedaan zijn, het wordt ook ontkracht door een beroep op het “gezond verstand” [3]. Als luiheid veroorzaakt wordt door voldoende geld, genoeg om te kopen wat we nodig hebben voor onze dagelijkse behoeften, hoe kan je dan uitleggen dat multi-miljonairs als Warren Buffet of George Soros – die zoveel rijkdom hebben vergaard dat ze voor tienduizend levens of meer in hun eerste levensbehoeften kunnen voorzien – blijven doorwerken? Waarom blijven acteurs als Keanu Reeves werken, als zij meer dan genoeg geld verdiend hebben om de rest van hun leven comfortabel door te brengen? Waarom blijven sporters werken zelfs nadat ze multi-miljonairs geworden zijn? Hoe kan je het feit uitleggen dat de huidige Britse regering warempel volgestouwd zit met multi-miljonairs? Als “genoeg om te overleven” een belemmering was om te werken, dan zouden al deze mensen zich zeker teruggetrokken hebben om een leven te leiden van luxe en ledigheid. De enige manier om dit bezwaar nog enigszins geloofwaardig te maken is door het bespottelijke rechtse standpunt te accepteren dat de rijken het best gemotiveerd worden door meer geld en de armen aangespoord moeten worden door te dreigen met een rampzalig gebrek aan geld.

Iets voor niets: een andere tegenwerping – ook één van de meest gehoorde – is “Waarom zouden we mensen iets voor niets geven?” Een dergelijke houding ligt achter de open zenuw die veel Britten hebben met de uitgaven voor sociale zekerheid. Men schat dat de Britse economie jaarlijks 120 miljard pond verliest door belastingontwijking [4], maar dit probleem wordt volledig overschaduwd – in termen van het aantal kolommen en in de heersende, publieke opinie – als het gaat om de kosten van de sociale zekerheid, waarvan slechts 1.2 miljard pond met fraude gepaard gaat [5]. Het Britse publiek raakt snel overstuur door het gevoel dat hen onrecht wordt aangedaan: zij moeten hard werken, terwijl anderen, die geen baan hebben, toch een dak boven hun hoofd en voedsel in hun buik hebben. Het gevoel van onrechtvaardigheid is een krachtige emotie, die de rechtse pers doelbewust verweeft met haar anti-sociale zekerheidsretoriek [6], maar in economische termen is het een betekenisloos bezwaar tegen het universele basisinkomen, omdat als iedereen recht heeft op een inkomen dat hem of haar een bescheiden levensstandaard gunt, of men nu wel of niet werkt, het tegenargument, dat werklozen iets krijgen en werknemers niets, geen gewicht meer in de schaal legt.

Wederkerigheid: de essentie van het gewaarborgd inkomen is dat het onvoorwaardelijk is, wat betekent dat de ontvanger daar geen economische activiteit tegenover hoeft te zetten. Die voorwaarde stuit op veel weerstand. Deze aversie demonstreert een fundamenteel gebrek aan economisch inzicht omdat de ontvanger het ofwel zal uitgeven (en daarmee een economische vraag creëert) of zal sparen (en zodoende de kapitaalreserves aanlegt die het kapitalistische systeem nodig heeft om de krediet-economie te financieren). De enige manier waarop het individu wel waarde zou kunnen onttrekken aan de economie, zou zijn om het onder te brengen in het buitenland, maar dat probleem heeft te maken met kapitaalvlucht [7] en belastingontwijking [8], in beginsel is het geen probleem van het onvoorwaardelijke inkomen.

Sociale zekerheid voor de rijken: een andere tegenwerping is dat het universele basisinkomen zou resulteren in betalingen aan burgers die al rijk zijn en geen moeite hebben om in hun dagelijkse behoeften te voorzien. Volgens mij is dit om twee redenen een bijzonder kortzichtig bezwaar. Ten eerste. De betaling afhankelijk maken van vermogen en inkomen zou – om van iedereen de draagkracht te bepalen – een grote bureaucratie vereisen. Dit zou afbreuk doen aan één van de belangrijkste voordelen (efficiëntie). Ten tweede. Als de rijken en machtigen (die over het algemeen hoge belastingen betalen) worden uitgesloten, gaan ze zich waarschijnlijk tegen de regeling verzetten, omdat ze er voor betalen, maar er niets voor terugkrijgen. Als borging van een minimum bestaansniveau voor de meerderheid van de mensen op een zo efficiënt mogelijke manier gerealiseerd kan worden door ook de welgestelden “een beetje extra” te geven, dan moet dat maar. Om het hele concept van een universele uitkering hopeloos in gevaar te brengen uit een verlangen om ervoor te zorgen dat de rijken er niet een deel van krijgen, zou zo gezegd het kind met het badwater weggooien zijn.

Inflatie: van alle regelmatig geuite bezwaren is de enige die werkelijk economisch hout snijdt de dreiging van inflatie. Het moet vrij gemakkelijk zijn om te begrijpen hoe dit zou kunnen gebeuren. Neem bijvoorbeeld de huur: als de klasse van niet-actieve renteniers zich ervan bewust wordt dat hun huurders iedere maand een betaling ontvangen, voldoende om in hun levensonderhoud te voorzien, is het duidelijk in hun financiële eigenbelang om vervolgens massaal de huursom te verhogen zodat de maatregel het gehele bedrag inpikt (en waarschijnlijk een beetje meer). Een voorbeeld van deze lobby op zoek naar hoger rendement [9] kan gevonden worden in de Britse kinderopvangsector [10] na de invoering van Child Tax Credits (fiscaal verrekenbare tegoeden voor het verzorgen van (een) kind(eren)). De aanbieders van kinderopvang wisten dat gezinnen met werkende ouders een vergoeding van de overheid kregen om de kosten van kinderopvang te dekken, dus verhoogden ze de kosten van de kinderopvang zo zeer dat het Verenigd Koninkrijk nu de duurste kinderopvang in de ontwikkelde wereld heeft (33% van het gezinsinkomen; ter vergelijking: het gemiddelde in de OESO is slechts 13 procent). Dat betekent dat de vergoeding vanwege de Child Tax Credit bij lange na niet genoeg is om de opgeblazen kosten van kinderopvang te dekken. Als het universele basisinkomen wordt geïntroduceerd dan moet het samengaan met een pakket van anti-inflatoire maatregelen (zoals het stellen van een maximum aan (de verhoging van) de huurprijs) [11] anders zal de waarde van het inkomen spoedig uitgehold zijn door de lobby voor materieel gewin van de inactieve renteniersklasse.

Een andere oplossing voor het gedrag van de zichzelf verrijkende niet-productieve kaste van renteniers zou kunnen zijn om ervoor te zorgen dat de hoogte van het universele basisinkomen gekoppeld is aan de kosten van levensonderhoud, zodat als de kosten voor huur, energie-tarieven en water met 10% in een jaar omhooggaan, het bedrag van het basisinkomen evenredig zal stijgen. Dit zou natuurlijk tot inflatie leiden, maar de inflatie zou gewone mensen toch niet in de armen van de armoede drijven, omdat ze een aan de inflatie aangepast inkomen uitgekeerd krijgen en zodoende aan hun basisbehoeften kunnen voldoen.

Tegenargumenten niet transparant

Ik heb een aantal argumenten voor en tegen een universeel basisinkomen geschetst. Het geval doet zich voor dat de meeste argumenten vóór worden ondersteund door empirisch bewijsmateriaal en deugdelijk economisch redeneren, maar de meeste van de gewoonlijk gehoorde tegenargumenten vanuit economisch perspectief helemaal niet kloppen of worden tegengesproken door bewijs of weinig meer om het lijf hebben dan een mening. Dit betekent dat het absoluut onmogelijk is om een “evenwichtig” artikel samen te stellen zonder de volledig verkeerde indruk te wekken dat de argumenten tegen op de één of andere manier gelijk zijn aan de argumenten vóór, terwijl ze, behalve geldige zorgen over inflatie, niet transparant zijn.

Politiek

Het idee van een universeel basisinkomen sluit goed aan bij verschillende politieke ideologieën, vooral bij het socialisme en libertarisme. Het lijkt mij ook, dat het goed past bij de meeste vormen van het vrijemarkt kapitalisme (afgezien van de uiterst rigide variant die zich sowieso verzet tegen elke vorm van inmenging door middel van sociale zekerheid).

Socialisme

Misschien wel de meest bekende linkse voorstander van het universele inkomen was de Britse filosoof en sociaal criticus Bertrand Russell, die in 1918 schreef dat “degenen die ervoor kiezen om niet te werken een sober bestaansminimum moeten genieten en volledig vrij gelaten [moeten] worden”, opdat “de angst voor werkloosheid en het verlies van hun broodwinning mensen niet langer als een nachtmerrie zou achtervolgen”. [12]

Andere linkse pleitbezorgers van het universeel basisinkomen zijn James Meade, die stelt dat dit de enige manier is waarmee volledige werkgelegenheid herwonnen kan worden en de Belgische filosoof en econoom Phillippe van Parijs, die in 1987 het European Basic Income Network (Europees Netwerk voor het Basisinkomen) oprichtte.

Libertarisme

Het libertarisme kan ruwweg onderverdeeld worden in twee scholen. Voorstanders van het universeel basisinkomen kunnen in beide gevonden worden.

Links-libertarisme

Eén van de vroege links-libertarische voorstanders van een universeel basisinkomen was de Amerikaanse econoom Henry George. Hij stelde een progressief belastingstelsel voor, waarbij belasting geheven zou worden op land waardoor iedere burger een basisinkomen, ook wel een “citizens’ dividend” (burgerdividend) genoemd, kon ontvangen. Het voordeel van een dergelijk systeem, dat grondwaarde belast, is dat belasting wordt geheven op rijkdom en niet op consumptie of inkomen.

De afgelopen jaren heeft de Groene Partij van de Verenigde Staten voorstellen gedaan voor een universeel inkomen voor alle volwassenen ongeacht hun gezondheidstoestand, wel of niet werkend of burgerlijke staat, om de overheidsbureaucratie en bemoeizucht met het leven van mensen in te dammen.

Rechts-libertarisme

Veel conservatieven zijn misschien geneigd om zich te verzetten tegen een universeel basisinkomen omdat ze er op ingesteld zijn om de verzorgingsstaat te haten, maar veel van de theoretici van de neoklassieke doctrine, waaraan de conservatieve denker zich impliciet conformeert, zijn voorstanders van vormen van een universeel basisinkomen. Tot deze verdedigers behoren Friedrich Hayek, Milton Friedman en Gary Johnson (de kandidaat van de Libertarische Partij bij de Amerikaanse Presidentsverkiezingen in 2012).

Rechts-libertariërs stellen vaak een soort voorwaardelijk basisinkomen voor, dat negatieve inkomstenbelasting wordt genoemd, waarbij mensen die beneden een bepaalde inkomensdrempel verdienen, een aanvullende betaling van de overheid ontvangen in plaats van belasting te betalen.

Het vrije markt kapitalisme

Men zou kunnen veronderstellen dat het concept van algemene sociale zekerheid volledig haaks staat op het vrije marktkapitalisme, maar dat is niet zo. Een universeel basisinkomen zou het concurrentievermogen van de markt vergroten doordat het mensen bevrijd van de zorg om in hun noodzakelijke, alledaagse behoeften te voorzien. Het zou hen de vrijheid geven om een eigen bedrijf te beginnen. Een stijging van het aantal kleine bedrijven zou concurrentie op de markt aanwakkeren en de efficiëntie verbeteren.

Als de vrijemarktkapitalist enigszins gelooft in enigerlei vorm van sociale zekerheid dan is het logisch om in te stemmen met een model dat de minste inmenging van de staat vereist en het kleinste beslag legt op kostbare overheidsbureaucratie. Zo’n model zou heel duidelijk de vorm aannemen van een soort universeel inkomen, in plaats van een bureaucratisch geregelde inkomensafhankelijke uitkering.

Conclusie

Een universeel basisinkomen is een zeer interessant idee. Ik hoop dat het Zwitserse referendum leidt tot de eerste invoering van een dergelijke regeling, zodat we meer over de voordelen en valkuilen kunnen leren. Het is duidelijk dat het onderliggende principe van een algemeen systeem van sociale zekerheid zonder bureaucratie een grote aantrekkingskracht heeft op mensen aan beide zijden van het politieke spectrum, gezien het feit dat het aanhangers heeft bij zowel uiterst links als uiterst rechts (van Bertrand Russell tot Fredrich Hayek) en alles er tussen in.

Veel van de critici vertrouwen op economisch slecht onderbouwde tegenwerpingen zoals de “iets voor niets” grief of het schijnheilige ongemak over “nietsdoen“. Door dergelijke belachelijke beduchtheid aan te kaarten – dat armen en modalen zouden stoppen met werken op het moment dat een normaal minimum niveau van leven gewaarborgd is – (terwijl men het feit negeert dat de rijken blijven werken ook wanneer al lang aan hun minimale bestaansvoorwaarden is voldaan), geeft de tegenstander in wezen toe dat hun visie op het kapitalisme stoelt op de exploitatie van angst voor armoede, in plaats van op de bereidwillige medewerking van werknemers.

Een ander dingetje dat dit soort “iets voor niets” bezwaren onthult is de absurde gedachte dat betaalde arbeid de enige manier is waarop iemand kan bijdragen aan de samenleving: het idee dat het individu alleen maar door onderwerping aan kapitalistische uitbuiting in staat is om iets bij te dragen aan de maatschappij. Deze houding is niet alleen belachelijke onzin omdat iedereen, iedere keer dat hij of zij zijn of haar universele basisinkomen spendeert of naar een spaarrekening brengt, bijdraagt aan de economie, maar ook omdat onbezoldigde activiteiten zoals het opvoeden van kinderen, de zorg voor oudere of gehandicapte familieleden, vrijwilligerswerk voor goede doelen of tijd investeren in onbetaalde inspanningen zoals onderwijs, schrijven of de kunsten, allemaal duidelijke bijdragen aan de samenleving zijn. Ze kunnen gewoon veel minder makkelijk in geld uitgedrukt worden door de brigade die “van alles de kosten kent, maar niet de waarde”, zodat ze worden afgedaan als “waardeloze contributies“.

Bron:

Noten: